Wat in de allereerste ‘Roman de la Rose’, van de anonieme auteur Jean Renart, zoal verhaald wordt, is grotendeels fictie. Toch zijn tal van elementen uit dat wonderlijke meesterwerk verwijzingen naar reële personen en ontwikkelingen van voor en in het begin van de 13de eeuw. De belangrijkste scènes, die zich in het levendige ‘Sainturon’ afspelen, kunnen worden gelinkt aan straten en plaatsen in het Sint-Truiden van toen en zelfs dat van nu. In dit 4e deel trekt een stoet van koene ridders door de stad, staat er een riddertoernooi op stapel en droomt de Duitse keizer van zijn verovering van de knapste française.

  • Tekst en foto’s © Eddy Strauven
  • Eddy Strauven is geboren in Sint-Truiden en momenteel coördinator van het filosofiehuis Het zoekend hert in Berchem-Antwerpen. Hij speurt graag in de geschiedenis van Sint-Truiden en komt soms tot verrassende ontdekkingen. In zijn reeks DE PRINSBISSCHOP EN DE KEIZERLIJKE STAD UIT DIENS ‘ROMAN DE LA ROSE’ brengt Eddy Strauven vandaag deel 4. 

 

Op de vooravond van het riddertornooi in Sainturon, dat door een gepassioneerde Duitse keizer wordt georganiseerd om de begeerlijkste vrouw van Frankrijk te kunnen inpalmen, trekt een stoet van koene ridders door de stad. Auteur Jean Renart schrijft over het hotel op de markt van Sainturon waarin hij de Franse vechtkampioen en zijn zo bevallige zus laat verblijven. Verder ook over een ‘pavement’ (vers 2229) – wellicht een geplaveide vloer in of nabij de Trudo-abdij – en over een ‘grande chaucie’ (vers 2233), een grote weg die vanuit Maastricht, Tongeren en Brustem naar de markt van Sint-Truiden loopt, om van daaruit af te buigen naar de kerk van Sint-Gangulfus, in de richting van het graafschap Duras. We weten met zekerheid dat het parcours van de stoet zoals door Renart beschreven over de markt en voorbij de abdij moest trekken. De kerk van Sint-Gangulfus, die zich verderop in de ‘Steenstroate’ (nu Diesterstraat) nog altijd bevindt, bestond al in de dertiende eeuw, toen het epos werd geschreven: de oerkerk is gebouwd onder het bewind van abt Adelardus II, in de periode 1055-1082. De machtige heren van Duras, die ver buiten de stadsmuren resideerden, voerden enige tijd de voogdij over de abdij en schonken haar belangrijke goederen.

In zijn ‘Roman de la Rose’ verhaalt de schrijver verder over de ‘procession solennelle’ van de Franse kampridder Guillaume de Dôle en zijn entourage, die al zou plaatsvinden de dag na hun intrede in Sint-Truiden. Het betreft een plechtige optocht langs de ‘grant rue’ (vers 2549), die begint nadat het gezelschap zich heeft gegroepeerd op de markt en de ‘pavement’ (vers 2457).

Professor Rita Lejeune concludeerde uit bepaalde gegevens dat het feestterrein voor het riddertornooi gesitueerd kan worden aan de buitenkant van de stad, voorbij de Brustempoort. De stoet met het illustere gezelschap begroet immers onderweg de Duitse keizer die vanuit Maastricht toekomt en een stadspoort passeert (vers 2567). In een van haar laatste artikels stelt de hoogbejaarde onderzoekster dat een situering van het tornooi langs de kant van Brustem kan worden bevestigd door het feit dat enkel aan die zijde van de stad zich zo’n groot open terrein bevond. Vers 2574 spreekt over een terrein ‘plus d’une lieu entière’, wat kan verwijzen naar een omvang van meer dan een grote oppervlaktemaat, zoals indertijd een bunder. Professor Lejeune suggereert dat dit terrein nabij Brustem hetzelfde kan geweest zijn als dat van het slagveld waarop de Luikenaars meer dan twee eeuwen later een bloedige nederlaag leden. Toch zijn er even goede redenen om aan te nemen, zoals andere auteurs durfden te stellen, dat het terrein door de vermoedelijke auteur, prinsbisschop Hugues de Pierrepont, denkbeeldig gesitueerd werd op het buitengebied ‘Ter Biest’ (nu Terbiest), dat bereikbaar was via de Niefport, een stadspoort aan de huidige Nieuwpoort, de uitvalsweg richting Hasselt. Het strijdtoneel van de Slag van Brustem lag wat verderop, zo menen wij, in de meer moerassige gebieden tussen Brustem, Ordingen en Sint-Truiden.

Op de vooravond van het riddertornooi viert het gastgezelschap alleszins het feest van Sint-Joris, patroonheilige van het ridderschap – zoals elk jaar op 23 april. Minstens vanaf de late middeleeuwen bevindt zich in de heerlijkheid Terbiest een kapel opgedragen aan Sint-Joris, waarvan in het huidige kasteeldomein van Terbiest nog altijd het ruïneuze bouwwerk overeind staat. Bij de poëtische vermelding van de nachtelijke en feestelijke viering van de goede martelaar en patroonheilige Sint-Joris wordt op opmerkelijke wijze verwezen naar een ‘geant champ d’orge’ of een immens gerstveld: ‘”Il est feste ou castel anuit, / fet cil, dou bon martir saint Jorge.” / En un geant champ semé tot d’orge / se sont luès tret a parlement.’

De aanwezigheid van uitgestrekte gerstvelden aan de buitenrand van de stad moet niemand verbazen. Uit historische documenten blijkt dat in die tijd in Sint-Truiden zo’n dertig brouwerijen bedrijvig waren. Geen wonder dat volgens het epos van Jean Renart in Sainturon voor een zekere ‘comte de Bar’, wellicht Thibaut de Bar (1191-1212), broer van Renaut de Mousson, bisschop van Chartres, een soort van volks drinklied wordt gezongen: ‘De Renault de Mouson / et de son frère Hugon, /et de ses conpaignons / qui donent les grans dons, / veult fere une chançon / Jordains, li viex bordons, / ou tens de moustoissons.’ Die ’tens de moustoissons’ evoceren uitdrukkelijk de mout waarmee het bier gefermenteerd wordt. In Sint-Truiden bestond trouwens een speciaal recht op de productie van gerstemout, de ‘grutum’ of ‘sculum’, een recht vastgelegd in charters van de bisschoppen van Metz, de toenmalige heren van Sint-Truiden.

We mogen dus besluiten dat de deelnemers aan zulke ridderlijke of meer volkse feestelijkheden in Sint-Truiden nooit dorst hoefden te lijden. Bijna evident kon met zoveel gerstenat ook de dansvreugde worden aangewakkerd. Fantaseer maar eens hoe zo’n meerdaagse feestgebeuren ongeveer kon verlopen, met al die strijdlustige ridders, hun sierlijke gades en hun vaardige knechten. Om over de zo vurige plaatselijke bevolking nog maar te zwijgen.

(Wordt vervolgd)

AFBEELDINGEN: 1. Pentekening van de laatmiddeleeuwse marktplaats van Sint-Truiden, waar de schrijver van ‘Le Roman de la Rose’ de optocht van ridder Guillaume de Dôle en zijn gezelschap liet paraderen. Met onze dank aan Visit Sint-Truiden. – 2. Pentekening van de eertijdse Brustempoort, waardoor volgens de romanschrijver de Duitse keizer en zijn hofhouding vanuit Maastricht de stad Sainturon zijn binnengestroomd. – 3. Dezelfde Brustempoort, beschouwd van binnen de stadsomwalling. – 4. De grotendeels Romaanse Sint-Gangulfuskerk, in eerste instantie opgetrokken in de tweede helft van de 11de eeuw. – 5-6. Ridderlijke heiligenbeelden uit die kerk, mede verwijzend naar de 8ste-eeuwse patroonheilige en martelaar Gangulphus. – 7-8. De intussen ruïneuze Sint-Joriskapel op het kasteeldomein van Terbiest.