Eén van de vaste bezoekers bij den Teutel was Staaf. Eigenlijk was hij bij de meesten uit de stad en ver op de buiten beter gekend als Staaf de Likeurman. Maar bij Marie hield iedereen het gewoon op Staaf. Toen ik nog een jong kereltje was woonde Staaf, samen met zijn vrouw Irène en haar moeder Finneke in een piepklein huisje, bijna op de hoek van onze straat. Staaf had een ‘ambulante’ handel in sigaretten, allerlei likeuren, jenever – de fameuze ‘witte’ waarover ik het al eerder had – chocolade, mars, nougat, chips en nog ontelbare andere café-producten, die hij inderdaad in tientallen cafés in en rond de stad te koop aanbood. Staaf was alleen ’s morgens min of meer nuchter. Dan was hij doende met het laden van zijn alom gekend en constant licht geblutst Volkswagenbusje. Die goederen haalde hij uit zijn voorraad die opgeslagen was in de kelder en de zolder van zijn uiterst kleine woning. Hij had heel wat omzet. Dat bleek tenminste uit de vele keren dat de vrachtwagens van onderscheiden jeneverstokerijen hem kwamen bevoorraden. Uit die periode ken ik de merken Smeets, Hertenkamp en Fryns en een ongekend aantal sigaretten- en sigarenmerken.

Halverwege de voormiddag vertrok hij dan met zijn busje om zijn waar aan de tientallen herbergen te slijten. Maar Staaf stopte ook weleens aan een gewoon huis of een tankstation, want zelfs daar leverde hij zijn geestrijke dranken. Uit die tijd stamt de benaming ‘een gesloten huis’, voor een plaats die geen café of restaurant was en waar toch sterke drank tegen betaling geschonken werd. In sommige van die ‘gesloten huizen’ werd er ook nog wat anders gedaan, maar dat doet nu niet ter zake. De brave man, want dat was hij wel degelijk, had helaas één groot probleem, hij lustte de drank die hij verkocht zelf maar al te graag en dat, samen met nog enkele glazen bier, had uiteraard een bijzonder negatieve invloed op zijn dagelijkse geestestoestand. Wanneer hij tegen het einde van zijn ‘werkdag’ zijn busje zonder teveel ongelukken in zijn garage, die zich om de hoek op de grote weg bevond, had gekregen, kwam hij, terwijl hij dikwijls de volle breedte van de stoep nodig had, bergafwaarts, richting onze straat. Net op de hoek lag iedere keer weer, onveranderd, Den Teutel. Terwijl hij zijn bocht ruim bemeten nam, draaide hij dan telkens weer en zonder struikelen het café binnen, waar hij nog enkele afzakkertjes tot zich nam. Zoals ik al eerder vertelde, zat je daar nooit alleen en was het consumptieritme er behoorlijk hoog. Dit had heel dikwijls tot gevolg dat Staaf de enkele meters die hem na het verlaten van het café nog restten tot aan zijn woning, met de grootste moeite overbrugde. Soms werd hij ook gevraagd om mee te kaarten. Dikwijls was dat een spel met vier deelnemers, een enkele keer werd er ook met zes spelers gekaart. Meestal verliepen die kaartpartijen zoals die in die tijd overal verliepen, met de nodige opmerkingen van de medespelers en de omstaanders, maar soms waren de gemoederen behoorlijk verhit vanwege een stommiteit van de een of de andere medespeler. Dan werd er wel wat harder geroepen en vlogen de blikken asbakken weer eens met luid gekletter tegen de tegelvloer. Op een dag had onze vriend bij het kaarten een zo grote stommiteit begaan dat de verwijten hem naar de kop gesmeten werden. Hierop werd hij zo kwaad dat hij al de kaarten die op tafel lagen bijeen raapte, ze in één keer doormidden scheurde en ze via de deur de straat opgooide. Deze krachtpatserij had als gevolg dat het hele café gierde van het lachen, de waardin een rondje betaalde, er nieuwe kaarten op tafel werden gelegd en er nog jaren over deze prestatie gepraat werd.

©Fred Bonaers

  • Truienaar Fred Bonaers is mede-auteur bij De Godfried (https://www.godfriedbomans.nl/) en auteur van de twee boeken ’40-’45 Sint-Truidense getuigen. Via zijn stukjes in TruiensNieuws vertelt hij over hoe het vroeger was in onze mooie stad. In deze reeks brengt Fred het verhaal van zijn eigen straat, waar hij woont in het ouderlijk huis van zijn vader en daarvoor van zijn grootvader, in de Lepold II straat.