Werd het middeleeuwse Roman de la Rose uit het begin van de 13e eeuw geschreven door de toenmalige prinsbisschop van Luik? Het was de Luikse professor en internationale onderzoekster Rita Lejeune (1906-2009) die tot op hoge leeftijd bleef volhouden dat de onbekende auteur Jean Renart van ‘Le Roman de la Rose ou de Guillaume de Dôle’ niemand anders kon zijn dan de edelman Hugues de Pierrepont (1165-1229), die van 1200 tot aan zijn dood in 1229 aan de macht was als prinsbisschop ‘Hendrik II van Luik’.

 

  • Tekst en foto’s © Eddy Strauven (foto)
  • Eddy Strauven is geboren in Sint-Truiden en coördinator van het filosofiehuis Het zoekend hert in Berchem-Antwerpen. Hij speurt graag in de geschiedenis van Sint-Truiden en komt soms tot verrassende ontdekkingen.
  • Dit artikel kadert in een reeks. Lees hier wat vooraf ging.

 

  • In beeld bovenaan en onderaan – Herberg ‘De Dry Cronen’ in Sint-Truiden, door wijlen fotograaf en geschiedkundige Achilles Thys in 1978 geschonken aan zijn vrienden, de toenmalige eigenaars Maurice en Maria Lafosse, met onze dank aan kleindochter Katty Lafosse. De kamer van het hotel waar het hoofdpersonage Guillaume de Dole in Sainturon verblijft, kijkt in de roman uit op de markt.

Professor dr. Rita Lejeune (foto, inzet), geboren en begraven in Herstal, promoveerde als jonge romaniste al in 1928 op de roman van de onbekende auteur Jean Renart. Zij is nadien verbanden blijven zoeken en verdedigen. Als ingenieuze historica gespecialiseerd in middeleeuwse letterkunde reikte zij niet alleen elementen aan om het auteurschap aan die uitzonderlijke prinsbisschop toe te kennen, ook verwees zij in boeken en artikels omstandig naar diens kennis van het regionale grondgebied, gaande van Luik en Maastricht tot Tongeren en Hoei, en wees op zijn vele contacten in internationale hoge kringen, gaande van de Champagnestreek tot Aken, Keulen en Mainz, en attenteerde omstandig op zijn bijzondere interesse voor de stad Sint-Truiden. Opmerkelijk zijn de geografische en topografische details die de pseudonieme auteur in zijn meesterlijke roman toewijst aan de stad ‘Sainturon’, waarvan de bevolking welvarend is, door haar gunstige ligging aan de grote verkeerswegen en te midden van een kreis van agrarische gehuchten, dorpen en domeinen.

Allusies op Sint-Truiden

Sterker nog: tal van straten, poorten en zelfs het hotel in de roman zijn volgens Rita Lejeune tot op heden herkenbaar. Alleszins voltrekken de denkbeeldige centrale scènes van de roman zich even realistisch als poëtisch in Sainturon. Voorafgaand zijn er meerdere allusies op Sint-Truiden. Zo bestelt de belangrijkste strijdridder, de Fransman Guillaume de Dôle, in Luik, stad met een bloeiende wapennijverheid, zesentwintig lansen en drie paarden die door bemiddeling van een rijke Luikse burger tijdig in de Trudostad geleverd zullen worden. In Sint-Truiden fingeert de auteur een grootschalig riddertornooi en plechtstatige feestelijkheden met ook een volks karakter. De stad wordt in ettelijke verzen letterlijk genoemd (v. 1647, 1947, 1998, 2054, 2691, 2871, 2929) en ze wordt ook in verband gebracht met de jaarlijkse Sint-Jorisfeesten die zeker voor ridders van die tijd zo belangrijk zijn.

Germaans dialect

Opvallend is dat Jean Renart duidelijk maakt dat in Sint-Truiden, zoals ook in Maastricht, niet alleen Frans wordt gesproken, maar dat bepaalde heren ook gebruik maken van het Germaanse dialect dat door het volk wordt gesproken. Vooral in Sint-Truiden spreekt men ‘come mafé’, zeg maar: als ‘des duivels’! Boudewijn van Vlaanderen wordt er dixit de schrijver begroet met de uitroep ‘Boidin! Boidin!’ Het volk roept er ook luidkeels woorden als ‘Wilecome’ en ‘Godehere’. Sint-Truiden, zetel van de belangrijke benedictijnse Trudo-abdij, was een levendige broeihaard op een kruispunt van culturen, verbonden met politieke en kerkelijke mogendheden. Professor Rita Lejeune wijst op het belang van het regionale ‘franco-flamende’, het lokale dialect dat later de dichter Henric van Veldeke in staat zal stellen op basis van de hoogstaande Franse dichtkunst met zijn tussentaal een brug te slaan naar de Rijnlandse en verderop naar alle Duitse taalgebieden.

Hotel met uitkijk op de grote markt

Wat het realistisch karakter van de roman betreft, ontdekte Rita Lejeune omstreeks 1965 nog een aantal bijzonderheden over de indrukwekkende kennis van de romanschrijver. De kamer van het hotel waar het hoofdpersonage Guillaume de Dole in Sainturon verblijft, kijkt in de roman uit op de markt (verzen 2072-73) en bevindt zich op de hoek van twee straten, zodat de hotelgast aan het venster twee uitzichten heeft. De precisie vertolkt in het vers 2068 van de roman stelde de scherpzinnige professor in staat het hotel te lokaliseren aan de markt van Sint-Truiden: het pand tussen wat zij noemt de ‘Cloppenstrate’ (of Clockemstraat) en de ‘Stapelstrate’ (Hoogbrugstraat, maar in de volksmond nog altijd ‘Stoapelstroat’ genoemd). De onderzoekster karakteriseert dit kruispunt als de plek waarop de ‘Naamse straat’ en de ‘Tiense straat’ samenkomen en omschrijft de Clockemstraat als de verbinding van het gehucht Straten, in het zuiden van de stad, waar de Romeinse weg van Maastricht naar Tienen passeerde, en de Stapelstraat die vanuit Tienen naar de markt van Sint-Truiden leidt. Op die plek ontdekt zij bij haar bezoek ook nog de levendige herberg ‘De drie kroontjes’ / ‘Les trois petites couronnes’, een etablissement van waaruit men een ruim uitzicht heeft op de ‘granz marchiés’ (sic), waarover Jean Renart in vers 2342 spreekt: een markt die volgens haar nauwelijks is veranderd sinds de 13de eeuw, namelijk met achteraan in het decor de abdij en de Onze-Lieve-Vrouwekerk en meer vooraan het stadhuis dat intussen de oude hallen is gaan omkaderen.