Wat is het verschil tussen een uurwerk van 1970 en eentje van 2020? Het eerste is “analoog”, het tweede is digitaal. Op het eerste is het tien uur tweeënvijftig, op het tweede is het tien na tien. Moest Kamiel Festraets zijn astronomisch uurwerk nu gemaakt hebben, het zou er anders uitgezien hebben. Wat niet wegneemt dat zijn kunstwerk van 79 jaar oud nu nog steeds zou moeten boeien.

Kamiel Festraets begon in 1937 met de bouw van zijn astronomisch uurwerk. 4.000 kilo, 6 meter hoog, 4 meter lang, 2,5 meter breed en meer dan 20.000 onderdelen en 5 jaar later was zijn uurwerk klaar. Zijn grootste vrees, dat de Duitsers zijn levenswerk zouden aanslaan, werd niet bewaarheid.

Gouden medaille
Hij was de zoon van een horlogemaker en werkte al snel in de zaak van zijn ouders, maar hij studeerde ook wiskunde en mechanica. Hij bouwde enkele salonklokken met astronomische toevoegingen, bv de stand van de maan en zijn eerste exemplaar bracht hem een gouden medaille op bij de Wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel.

Astronomisch, niet gastronomisch
Festraets bracht in zijn astronomisch uurwerk verschillende elementen uit de geschiedenis van de tijdmeting in, zandlopers, wateruurwerk, slingers, zonnewijzer, Westminsterbeiaard en een heuse stoet. Wanneer de klok slaat verschijnt de dood en trekt er een stoet van 12 middeleeuwse ambachten voorbij. Naast zijn uurwerk bouwde Kamiel Festraets ook een visualisatie van de Slinger van Foucault, de beweging van de aarde rond de zon en de tocht van een zeeschip van Antwerpen naar New York. Daarbuiten onderhield Kamiel Festraets jarenlang de torenuurwerken van de stad, speelde hij orgel, dirigeerde het koor van de Sint-Maartenparochie en trad op als hoofdacteur in het gezongen toneelstuk “De Klokken van Corneville” was tenor in het operettegezelschap Cicindria en stichtte hij een school voor uurwerkmakers in Leuven

Juridisch gespin
De kunstwerken van Kamiel kon je gaan bezoeken in de Begijnhofkerk van Sint-Truiden. Het was ook daar dat hij zijn opstellingen bouwde. Toen de kerk een museale functie kreeg en eigendom werd van de provincie Limburg, verhuisden de werken van Kamiel in 1968 naar een nieuwe studio op het Begijnhof, naast zijn geboortehuisje. In 1973 tekende Festraets een contract voor overname met de stad en het jaar erop overleed hij. Volgt dan een periode van juridische verwikkelingen maar in 1990 werd de stad uiteindelijk toch eigenaar en kocht ook het geboortehuisje van Kamiel naast de studio. Eindelijk kreeg de overeenkomst van 1973 waarde.

Het Festraetsuurwerk was indertijd de allereerste toeristische attractie in de provincie Limburg, nog voor dat er een Limburg woord voor toerisme bestond.

Vergane glorie? Neen, meesterlijke historie!
Het Festraetsuurwerk is vandaag een curiosum, een brok nostalgie en antiek. De enen zeggen “niet meer van deze tijd”, anderen zien er wel de historische waarde van in. Maar het aantal bezoekers is gedaald, en geen klein beetje tot 8.000 per jaar. Uiteraard is de ligging niet zo favorabel: het Begijnhof ligt buiten de vesten, de oude stadsmuren, maar de gratis parking op de Veemarkt maakt al veel goed. En bovendien heeft het toerisme zich in Sint-Truiden vooral ontwikkeld rond de Grote Markt, waarschijnlijk de plaatselijke horeca pamperend. Maar als morgen die 100.000 bezoekers weer naar Festraets’ werk zouden komen kijken, wordt iedereen er beter van. Want dan mag de abdij een ontzettend belangrijk historisch gegeven zijn, ze is nog “antiekerder” dan het oeuvre van Kamiel en zeker meer verruïneerd.

Uit het oog, uit het hart
Toen de Amerikanen Sint-Truiden bevrijdden in 1944 bezochten ze zeer gefascineerd het uurwerk. In het gastenboek staat zelfs de handtekening van kolonel-bevelhebber Leo Moon.
Maar zolang het merendeel van de bevolking negen uur vijftig blijft zeggen in plaats van tien voor tien, zal men andere binnen moeten aanboren om het briljante werk van Kamiel meer onder de aandacht te brengen.

Ideeën zijn steeds welkom. Daarom deze tip: als alle “nieuwe Truienaars” eens zouden op bezoek gaan in de Festraetsstudio en aansluitend de Begijnhofkerk, dan zouden die ook al kennis kunnen maken met dit prachtige patrimonium, het leren appreciëren en waarderen, dan zouden niet alleen de bezoekerscijfers stijgen, maar ook het Truineergevoel van al die mensen die op dit ogenblik van onze stad een slaap- en shoppingstad maken.

Volgend jaar is het werk 80 jaar oud, misschien een ogenblik om van de revalorisatie ervan eens ernstig werk te maken en zijn plek te geven in het Truiens toerisme die het echt verdient.

Wil je het gaan bezoeken, dan kan dat met een Trudopas die je kan kopen bij de Toeristische Dienst op de Grote Markt. Dat kan toch moderner, anno 2021. Geen wonder dat ze niet (te voet) in het Begijnhof geraken, laat staan bij al die andere mooie monumenten die een paar kilometer van het stadscentrum liggen ‘vergeten te worden’.